top of page
Zoeken

Kwetsbaarheid als methode: Houtskool op olieverf als onderzoek naar tijd, verlies en controle



In mijn huidige artistieke onderzoek staat een bewust kwetsbare en onorthodoxe techniek centraal: het aanbrengen van houtskooltekeningen op reeds gedroogde olieverfschilderijen, zonder deze te fixeren of te vernissen. Waar traditionele schilderpraktijken sterk gericht zijn op conservering, duurzaamheid en controle, onderzoekt dit werk juist wat er gebeurt wanneer deze zekerheden doelbewust worden losgelaten.


Olieverf wordt binnen de schilderkunst vaak gezien als een afgesloten en stabiele laag. Door hier houtskool overheen aan te brengen — een poederachtig, los en instabiel medium — ontstaat een spanningsveld tussen permanentie en vergankelijkheid. De houtskool hecht slechts oppervlakkig en blijft gevoelig voor aanraking, beweging en tijd. In plaats van deze instabiliteit te benaderen als een technisch tekort, neem ik haar expliciet op als onderdeel van mijn artistieke methode.


Het werk weigert fixatie. Niet uit onkunde, maar als bewuste keuze. Elke poging tot bescherming via fixatief of vernis zou de onderliggende logica van het werk verstoren en het materiaal dwingen zich te gedragen op een manier die het niet eigen is. De houtskool mag verdwijnen, vervagen of verschuiven. Verlies is geen bijwerking, maar een actieve component van het beeld.


Binnen een academische context functioneert deze werkwijze als een onderzoek naar auteurschap en controle. Het moment waarop de tekening wordt aangebracht, vormt niet het einde van het werk, maar het begin van een proces waarin omgeving, tijd en presentatie mede-bepalend worden. Het schilderij is geen statisch object, maar een situatie die zich blijft ontwikkelen.


Documentatie speelt hierin een essentiële rol. Foto’s, notities en sporen van eerdere staten maken zichtbaar wat fysiek verdwijnt. Het werk bestaat daardoor niet alleen in zijn materiële vorm, maar ook in zijn geschiedenis. Deze gelaagdheid sluit aan bij mijn bredere praktijk, waarin sporen, lichamelijkheid en ingreep centraal staan.

Door kwetsbaarheid niet te verbergen maar te structureren, verschuift de centrale vraag van “hoe behoud ik het beeld?” naar “wat betekent het om een beeld los te laten?”. In deze onderzoekslijn wordt niet gezocht naar een definitief resultaat, maar naar een voortdurende onderhandeling tussen maker, materiaal en tijd.


Onderzoeksvragen en leerdoelen

Centrale onderzoeksvraag

Hoe kan kwetsbaarheid functioneren als een bewuste artistieke methode binnen de schilderkunst, in plaats van als een technisch tekort?

Deelvragen

  • Wat gebeurt er wanneer een tekening (houtskool) wordt aangebracht op een ogenschijnlijk afgesloten medium (olieverf)?

  • Hoe beïnvloeden tijd, aanraking en omgeving de betekenis van een beeld dat niet gefixeerd is?

  • In hoeverre verschuift het auteurschap wanneer het werk bewust openblijft voor verlies en verandering?

  • Welke rol speelt documentatie wanneer het fysieke werk niet stabiel of permanent is?

Leerdoelen

Binnen dit onderzoek werk ik aan:

  • het ontwikkelen van een materieel bewust werkprotocol waarin kwetsbaarheid een structureel onderdeel vormt van het maakproces;

  • het kritisch bevragen van conservering en afwerking binnen de schilderkunst;

  • het onderzoeken van tijdelijkheid en proces als beeldbepalende factoren;

  • het positioneren van experimenteel werk binnen een theoretische en kunsthistorische context;

  • het formuleren van een artistieke methode die zowel praktisch als conceptueel verdedigbaar is.


Koppeling aan kunstenaars en theorie

Mijn praktijk positioneert zich niet illustratief, maar dialogisch: ik lijk niet op deze posities, ik sta ermee in gesprek.


Robert Rauschenberg – het open beeld

Rauschenbergs combine paintings ondermijnen het idee van het schilderij als een gesloten en stabiel object. Door uiteenlopende, vaak kwetsbare materialen toe te laten, ontstaat een beeld dat zich verzet tegen fixatie en afronding.


Relatie tot mijn werk: Waar Rauschenberg materialen toevoegt, introduceer ik kwetsbaarheid bovenop een ogenschijnlijk afgerond schilderij. De houtskool fungeert als een instabiele ingreep die het idee van voltooiing ondermijnt.


Cy Twombly – tekenen als lichamelijk spoor

Twombly’s tekeningen en schilderijen functioneren als sporen van beweging, herhaling en falen. De lijn is geen representatie, maar een lichamelijke registratie.


Relatie tot mijn werk: De houtskooltekening op olieverf fungeert eveneens als een lichamelijke ingreep, maar zonder de zekerheid van behoud. De lijn is niet alleen expressief, maar ook tijdelijk.


Arte Povera – materiaal en vergankelijkheid

Binnen Arte Povera wordt kwetsbaarheid ingezet als weerstand tegen controle, monumentaliteit en permanente waarde.


Relatie tot mijn werk: Mijn gebruik van houtskool zonder fixatie sluit aan bij deze houding: het materiaal behoudt zijn eigen logica en weigert zich volledig te onderwerpen aan het beeld.


Theorie: Material Agency (Jane Bennett / Tim Ingold)

Binnen hedendaagse theorie wordt materiaal niet gezien als passief, maar als een actieve deelnemer in het maakproces.


Relatie tot mijn werk: De houtskool handelt mee. Zij verdwijnt, verschuift en reageert op omgeving en tijd. Het beeld ontstaat uit onderhandeling, niet uit volledige controle.


Theorie: Process-based art

In procesgerichte kunst verschuift de focus van eindresultaat naar ontwikkeling, verandering en documentatie.


Relatie tot mijn werk: Het werk bestaat niet alleen in zijn huidige staat, maar ook in eerdere en toekomstige vormen. Documentatie wordt een essentieel onderdeel van het werk.


Het recht op verval

Over kwetsbaarheid, restauratie en het weigeren van fixatie in hedendaagse schilderkunst

De vraag hoe dit werk beschermd of gefixeerd zou moeten worden, leidde niet tot een technische oplossing, maar tot een fundamentele heroverweging van mijn positie als maker. Wat als bescherming niet het doel is? Wat als kwetsbaarheid geen probleem vormt, maar een bewuste keuze?


Het onderzoek verschuift daarmee van een materiaaltechnische vraag naar een conceptueel en theoretisch onderzoek naar tijd, verval en restauratie.


Materiaalconflict als vertrekpunt

Het werken met houtskool over olieverf creëert een inherent instabiel beeld. Houtskool hecht slecht op een gladde, vettige ondergrond en is gevoelig voor aanraking, transport en luchtverplaatsing. Klassieke oplossingen — fixatieven of vernissen — blijken problematisch: zij kunnen houtskool doen uitlopen, verkleuren of verdwijnen, en verstoren bovendien de leesbaarheid van de olieverflaag.


De gebruikelijke vraag “hoe bescherm ik dit werk?” wordt daarmee vervangen door een fundamentelere: waarom zou dit werk beschermd moeten worden?


Oude kunst en de illusie van stabiliteit

Historische kunstwerken die wij vandaag ervaren als “stabiel” of “voltooid”, zijn dat zelden in absolute zin. Veel schilderijen uit de renaissance en barok hebben meerdere restauraties ondergaan: vernislagen zijn toegevoegd of verwijderd, kleuren zijn hersteld of overschilderd, craquelé is gestabiliseerd. Wat wij zien, is vaak niet het oorspronkelijke werk, maar een interpretatie die is gevormd door tijd, ideologie en restauratiepraktijken.

Restauratie is geen neutrale handeling. Zij weerspiegelt altijd een opvatting over wat behouden moet blijven en wat mag verdwijnen.


Restauratie als ideologisch gebaar

Restaureren betekent kiezen: welke staat van het werk wordt als “juist” beschouwd? Welke sporen van tijd worden geaccepteerd? En welke worden weggewerkt?

In die zin wist restauratie vaak het verval uit — en daarmee ook de zichtbare geschiedenis van het object. Het streven naar stabiliteit kan worden gelezen als een poging om tijd te beheersen.


Mijn werk positioneert zich hiertegenover. Door geen fixatie toe te passen, wordt verval niet gecorrigeerd maar toegelaten. Het werk blijft open, veranderlijk en kwetsbaar — niet ondanks, maar dankzij deze instabiliteit.


Theoretische context: tijd, aura en het onvoltooide beeld

Walter Benjamin beschrijft het kunstwerk als een drager van tijd en geschiedenis, waarbij de ‘aura’ niet ligt in perfectie of afwerking, maar in uniciteit en aanwezigheid. Georges Didi-Huberman stelt dat beelden nooit afgesloten zijn, maar altijd sporen, breuken en wonden dragen.


Binnen deze denklijn wordt het beeld niet gezien als een vaststaand object, maar als een proces — iets wat ontstaat, verandert en verdwijnt. Mijn praktijk sluit hierbij aan door het idee van voltooiing en conservering los te laten. Het werk mag veranderen, vervagen of zelfs gedeeltelijk verdwijnen.


Tegen-restauratie als artistieke houding

Waar traditionele restauratie ingrijpt om verlies te voorkomen, functioneert mijn werk als een vorm van tegen-restauratie. Het weigeren van fixatie is geen nalatigheid, maar een bewuste artistieke keuze. Het beeld claimt het recht om niet gered te worden.


Hiermee verschuift mijn rol:

  • van maker naar facilitator van een proces;

  • van behoud naar toelating;

  • van controle naar overgave.


Conclusie

Dit onderzoek toont aan dat materiaalkeuze nooit louter technisch is, maar altijd conceptueel geladen. Door houtskool en olieverf te combineren zonder bescherming, wordt kwetsbaarheid een actief betekenis dragend element. Het beeld bestaat niet alleen in wat zichtbaar is, maar ook in wat kan verdwijnen.

Het werk vraagt niet om fixatie, maar om aandacht.

Opmerkingen


bottom of page